Paaldanseressen zijn niet in dienstbetrekking omdat aan vervangsters minimale eisen worden gesteld
Een BV biedt in haar sekstheater dagelijkse voorstellingen met topless striptease, lapdance en/of paaldansen. De inspecteur heeft in een brief van 9 maart 2006 het standpunt ingenomen dat de danseressen als werknemer van de BV moeten worden beschouwd en dat alle door de danseressen genoten inkomsten tot hun loon behoren. In de brief staat voorts vermeld dat hiermee met ingang van 1 april 2006 in de aangiften loonbelasting rekening moet worden gehouden.
Rechtbank Haarlem (nr. 08/5207) oordeelde dat de BV terecht als inhoudingsplichtige is aangemerkt omdat aan alle elementen voor het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is voldaan. De BV kon na de brief van 9 maart 2006 weten dat de danseressen vanaf 1 april 2006 niet meer als zelfstandigen werden aangemerkt. Vanaf die datum kon geen vertrouwen meer worden ontleend aan de aan de danseressen afgegeven VAR-winst uit onderneming (VAR-wuo). Aangezien de naheffingsaanslag is opgelegd over het tijdvak februari 2006 en dus eindigde vóór 1 april 2006, werd deze verminderd voor zover de naheffingsaanslag betrekking heeft op betalingen aan de danseressen in het bezit van een VAR-wuo.
Hof Amsterdam acht geen sprake van een dienstbetrekking omdat de verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid ontbreekt. De BV stelt minimale eisen aan vervangsters waardoor de danseressen zich in de praktijk (nagenoeg) vrijelijk en zonder toestemming vooraf door een derde konden laten vervangen. Ook is niet gebleken dat de danseressen een verplichting hebben om de dans- en animeeractiviteiten uit te oefenen. Dat de danseressen - indien zij bezoekers ertoe te brengen champagne dan wel cocktails bestellen - een percentage van de daarmee gerealiseerde omzet ontvangen, maakt dit niet anders. De inspecteur heeft ten onrechte loonheffing nageheven.
