HR: overgangsrecht privégebruik auto van de zaak legitiem

Voor auto’s met een datum van eerste toelating in Nederland na 1 januari 2017 geldt het 22%-tarief. Voor oudere auto’s geldt het tarief van 25%. De Hoge Raad oordeelt dat de wetgever met het treffen van deze overgangsregeling niet een regeling heeft getroffen die van elke redelijke grond is ontbloot. Mr. Heleen Elbert, fiscaal jurist en promovenda autobelastingen aan de Erasmus Universiteit geeft een reactie.

Een werknemer kreeg in 2015 van zijn werkgever een Opel Zafira Tourer met als datum eerste toelating 21 augustus 2015 ter beschikking gesteld. Voor het tijdvak januari 2017 paste de werkgever het 25%-tarief toe voor de bijtelling. Zou de werknemer een auto met eerste datum toelating vanaf 1 januari 2017 ter beschikking gesteld hebben gekregen, dan zou de bijtelling 22% van de cataloguswaarde zijn geweest. Bij de Hoge Raad is in geschil of de wettelijke overgangsregeling in strijd is met Europeesrechtelijke verdragsrechtelijke beginselen.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelt dat na een wetswijziging altijd een onderscheid gemaakt moet worden tussen gevallen die zich vóór dan wel na het tijdstip voordoen waarop de nieuwe regeling van toepassing is. Dit onderscheid is geen discriminatie, omdat de wetgever anders geen mogelijkheid zou hebben om nieuwe wetten in te voeren. Er is alleen sprake van discriminatie als de door de wetgever gemaakte keuze voor een overgangsregeling van elke redelijke grond is ontbloot. De Hoge Raad komt met een aantal factoren waarom dat volgens hem niet zo is. Ten eerste is beoogd aan te sluiten bij actuele ontwikkelingen ter zake van factoren voor privégebruik en de kosten van auto’s van de zaak die van invloed zijn op de benadering van de gemiddelde waarde van het voordeel van het privégebruik. Ten tweede te verhinderen dat een auto die voor 2017 in het buitenland in gebruik is genomen, wel in aanmerking zou komen voor de 22%-bijtelling en een auto die voor 2017 te naam is gesteld in het kentekenregister niet. Ten derde de complexiteit van de uitvoering van de regeling te beperken en als laatste argument rechtszekerheid te bieden aan automobilisten die voor 1 januari 2017 een leasecontract zijn aangegaan tegen het bijtellingstarief waarvan bij de keuze van de auto is uitgegaan. Volgens de Hoge Raad is het overgangsrecht voor de bijtelling van de auto van de zaak dus niet evident van elke redelijke grond ontbloot.

Reactie mr. Heleen Elbert

‘Dat ik heel verbaasd ben over dit arrest kan ik niet zeggen. De wetgever heeft nu eenmaal heel ruime mogelijkheden om de wet aan te passen. Is de verlaging van de bijtelling dan echt zo onredelijk? Dat denk ik niet, hij is al jaren (te) hoog, en sinds 1 januari 2017 dan eindelijk iets minder hoog. Wel is het sneu voor iedereen die in een zuinige auto van de zaak rijdt en net nog onder het percentage van 25 valt. Een veel voorkomend misverstand is dat dit percentage ook voor die auto’s na 60 maanden verlaagd wordt naar 22. Vergeet het maar: op grond van de overgangsregeling van art. 36c Wet LB en de tegenhanger in 10.a.4. Wet IB blijft het forfait voor al deze auto’s eeuwigdurend (in ieder geval tot de volgende wetswijziging) 25%. Dat dit eenvoudiger is voor de uitvoeringspraktijk en dat de wetgever toch ergens een datum moet prikken kan ik volgen. Ook het argument dat men tijdig op de hoogte is gesteld van de verlaging snap ik. Hoewel ik er wel op wil wijzen dat niet iedereen de vrije keuze heeft om te bepalen wanneer een auto van de zaak wordt aangeschaft. Waarom de toelaatbaarheid van het overgangsrecht gekoppeld wordt aan het voorkomen dat buitenlandse auto’s een voordeel genieten snap ik niet helemaal. In mijn ogen zou het sowieso discriminatie zijn wanneer een uit het buitenland afkomstige auto gunstiger wordt behandeld dan een vanaf het begin in Nederland rijdende auto. Daar is die overgangsregeling volgens mij helemaal niet voor nodig (maar wel makkelijk, geef ik toe). Voor de bepaling van de cataloguswaarde of het geldende kortingspercentage op de bijtelling maakt de buitenlandse afkomst bijvoorbeeld ook niet uit. Ook het argument van de rechtszekerheid in combinatie met een tariefsverlaging vind ik nog wat lastig te behappen: ik zou mijn rechtszekerheid in dit geval graag opgeven wanneer dit betekent dat ik in een gunstiger belastingtarief val, u niet? Enfin, dit maakte bij de verlaging van de verdrachtsbelasting ook niet uit. De wetgever is volgens de Hoge Raad binnen de lijntjes gebleven, en dat is dat.’

Heleen Elbert is bestuurslid van de Vereniging Zakelijke Rijders. Dit commentaar is op persoonlijke titel geschreven.

In dezelfde zin Hoge Raad 11 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:32

Wet: art. 13bis en 36c lid 1 Wet LB 1964art. 14 en art. 1 EP EVRM en art. 26 IVBPR

Meer informatie: Hoge Raad 11 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:1

Bron @Taxence