Digitax verdient zorgvuldige afweging

De belastingheffing van digitale ondernemingen staat hoog op de nationale, Europese en internationale politieke agenda. Het huidige mondiale belastingstelsel is niet ingericht op de digitale economie. Dat roept om modernisering van de regels of toch niet? Daniël Smit twijfelt. “Een herijking van het internationale belastingsysteem vereist in ieder geval een zorgvuldige afweging en hoort niet plaats te vinden onder de vlag van ‘belastingontwijking’.” 

Mondiale oplossing

Zowel de Europese Commissie als de G20 en de OESO zijn van mening dat een mondiale wijziging van de winstbelasting de beste oplossing is voor het effectief kunnen belasten van digitale ondernemingen. De OESO is druk bezig om de plannen voor belastingheffing van de digitale economie nader uit te werken. De fiscale positie van digitale ondernemingen kwam overigens al aan bod in het BEPS-project van de OESO, merkt Smit (fiscalist bij EY, bijzonder hoogleraar aan de Tilburg University en visiting professor aan de Université Paris I) op. “Dit ‘Base Erosion and Profit Shifting’-project uit 2013 bevat allerlei maatregelen om belastingontwijking aan te pakken. Met de nieuwe plannen wil de OESO bepaalde winsten van digitale ondernemingen belasten in het afzetland, oftewel het land waar de consumenten (gebruikers) zitten.”

Europese inspanningen

Gezien de urgentie en de vrees dat EU-lidstaten een eigen digitale belasting invoeren, heeft de Europese Commissie de nieuwe plannen van de OESO niet afgewacht en met twee richtlijnvoorstellen zelf actie ondernomen. Het ene voorstel betreft een digitaledienstenbelasting. Deze kortetermijnoplossing is tijdens de Ecofinraad van 12 maart 2019 door de EU-ministers van Financiën in de ijskast gezet. De meeste lidstaten wachten liever een mondiale aanpak af. De vrees van de Europese Commissie lijkt in de tussentijd uit te komen. Landen als Frankrijk en Groot-Brittannië zijn inmiddels druk doende een eigen digitax in te voeren voor techreuzen als Google, Facebook en Uber. “Als landen hun eigen nationale digitaledienstenbelasting gaan maken bestaat het gevaar op mismatches, waardoor dubbele heffing voor bedrijven ontstaat, maar ook heffingslekken,” legt Smit uit. “Dat gevaar wilde de Europese Commissie nu juist voorkomen. Maar ook de OESO is bang voor fragmentatie en zet daarom vaart achter de plannen. Ik verwacht dat er nog dit jaar of begin volgend jaar een concrete uitwerking op tafel ligt.”

Het andere voorstel van de Europese Commissie is een langetermijnoplossing in de winstbelasting. Kort gezegd wil de Commissie digitale activiteiten belasten in een lidstaat als sprake is van een ‘significante digitale aanwezigheid’. Smit: “Het voorstel houdt een uitbreiding in van het huidige fysieke vaste inrichtingsbegrip met een virtueel vaste inrichtingsbegrip binnen de EU. Van een virtuele vaste inrichting is sprake als een onderneming in een lidstaat digitale diensten aanbiedt met een minimum aan menselijke interventie via een digitale interface, zoals een website. Daarbij gelden drempels zoals een jaarlijkse opbrengst van ten minste € 7 miljoen uit de aangeboden diensten aan gebruikers in die lidstaat. Over dit richtlijnvoorstel zijn lidstaten nog niet vol in gesprek. Het voorstel zal naar verwachting pas in behandeling worden genomen als er een internationaal akkoord is over een winstbelasting voor grote internetbedrijven.”

Wat is het probleem?

Een EU korte- en langetermijnoplossing en een op handen zijnde permanente mondiale oplossing doen vermoeden dat het probleem groot is. De politieke en publieke opinie dat techreuzen te weinig, of in ieder geval niet hun ‘fair share’ aan belasting betalen, wegen zwaar. “De OESO constateerde in de BEPS-plannen van 2013 dat juist digitale ondernemingen hun bijdrage leveren aan het fenomeen van internationale agressieve fiscale planning,” verduidelijkt Smit. “Niet alleen kunnen zij, net als andere multinationals, makkelijk gebruikmaken van kwetsbaarheden van het huidige internationale belastingsysteem, maar digitale ondernemingen zijn naar hun aard ook minder fysiek aanwezig in een land. Veel functies worden op afstand uitgeoefend, immateriële activa spelen een centrale rol in de ondernemingsactiviteiten en er is een grote mate van gebruikersparticipatie. Men stelt dat gebruikers waarde kunnen toevoegen aan het door hen geconsumeerde digitale product of dienst. Met andere woorden: digitale ondernemingen hebben vaak een sterke aanwezigheid in de marktstaat (bestemmingsstaat) zonder daar fysiek aanwezig te zijn en een deel van de waardevolle functies wordt niet door de onderneming zelf vervuld, maar door de afnemers. Dat roept de politieke vraag op of de marktstaat, waar de gebruikers zitten, niet recht heeft op een deel van de heffingskoek.”

Conceptueel geen goede reden

Toch is Smit er niet van overtuigd dat er inderdaad iets moet veranderen. “In het huidige internationale belastingsysteem geldt als uitgangspunt dat winst wordt belast daar waar waarde wordt gecreëerd. Men gaat ervan uit dat de gebruiker actief dan wel passief bijdraagt aan waardecreatie, maar is dat wel zo en is dat dan een rechtvaardiging om het bestaande systeem dermate te hervormen zodat ook afnemersstaten een heffingsrecht krijgen, en zo ja, over welk deel van de winst? Ik vraag mij af of je kunt stellen dat gebruikers van digitale diensten ook echt winst genererende activiteiten uitoefenen. Gebruikersdata creëren is op zichzelf beschouwd geen waarde. Menselijk handelen (arbeid) binnen de onderneming, doorgaans buiten de marktstaat, is nodig om de verzamelde gebruikersgegevens waardevol te maken. Het is dus de digitale onderneming zelf die het inkomen genereert, en niet de consument. Conceptueel is er dus niet echt een goede reden om het huidige systeem om te gooien.”

Zorgvuldige afweging

“Bovendien vind ik dat de hervormingsdiscussie niet mag worden gevoerd onder de vlag van ‘belastingontwijking’, vervolgt Smit. “Door het BEPS-project is er al veel veranderd. Daar waar multinationals en techreuzen eerder belasting konden ontwijken met het opstellen van allerlei structuren, wordt het niet belasting betalen tegenwoordig flink bemoeilijkt door de BEPS-maatregelen. Het gaat hier niet om de vraag of sprake is van belastingontwijking, maar om de vraag of de huidige aanknopingspunten voor een winstbelasting nog wel toereikend zijn in deze tijd waarin digitalisering een grote rol speelt. Het antwoord op die vraag verdient een zorgvuldige afweging. En als een systeemwijziging de conclusie is, dan hoort dit niet te worden beperkt tot enkel digitale bedrijven. Selectieve hervorming neigt naar willekeur. Een fundamentele herziening zodat ook afzetlanden een stukje mogen heffen, zou eigenlijk plaats moeten vinden over de hele linie van het bedrijfsleven. Maar dat gaat politiek gezien weer te ver en is daarom niet realistisch.”

Bron / foto @Taxlive Redacteur Marit Muller